3. DE ONDERWIJSKUNDIGE VORMGEVING VAN HET ONDERWIJS 3.1. De onderwijskundige doelen De Lambertusschool wil bereiken dat ieder kind via een ononderbroken leer- en ontwikkelingsproces, die kennis en vaardigheden kan verwerven die het nodig heeft om een zelfstandig, sociaal en kritisch denkend mens te worden in een multiculturele samenleving. Dit gaat het beste in een omgeving waar de leerlingen zich thuisvoelen. We zetten ons in voor het versterken en verbeteren van het klassen- en schoolklimaat. De in gebruik zijnde en nog aan te schaffen onderwijsleerpakketten waarborgen het bovengenoemde leerproces en de wettelijke plicht om aan de kerndoelen te voldoen. We gaan er van uit dat de gehanteerde ( en over het algemeen moderne) methodes voldoende garanties bieden voor het hanteren van de vereiste einddoelen. De huidige situatie Het team heeft samen met het team van de St.- Wij zijn een school met een leerstofjaarklassensysteem. Er heeft de afgelopen jaren een heroriëntatie op groepsplannen plaatsgevonden. Onderwijsvernieuwingen Door de huidige basisschool om te vormen tot een Brede School willen we een aantal onderwijskundige vernieuwingen bewerkstellingen. We willen, middels een verbouwing, midden in de school een grote multifunctionele ruimte verwezenlijken. Door een groot aantal leerwerkplekken te realiseren willen we de organisatie van ons onderwijs moderniseren. Dat willen we bereiken door het werken met groepsplannen opnieuw centraal te stellen. Na een korte instructie kan een aantal leerlingen de leerstof zelfstandig in de multifunctionele ruimte verwerken. De kinderen die meer instructie of aandacht nodig hebben of minder goed zelfstandig kunnen werken blijven in het klaslokaal. De leerwerkplekken kunnen onder schooltijd eveneens gebruikt worden voor het maken van werkstukken (al dan niet met gebruikmaking van de daar aanwezige computers). De school heeft aan de volgende schoolverbeterpunten gewerkt:
Voor de bijbehorende actiepunten: zie het meerjarenkwaliteitsplan 2009-2011 De ordening van de inhoud van het onderwijs 3.2.1 De basisvakken Rekenen/Wiskunde In groep 1 en 2 wordt gewerkt aan verschillende streefdoelen zoals, getalbegrip, meetkunde, meten en tijd. We werken met thema’s d.m.v. projectmateriaal. De methode Rekenrijk wordt gebruikt in groep 1 t/m 8. Ook bij het rekenen gebruiken wij het groepsplan, zo garanderen wij onderwijs op maat. Didactisch zwakkere leerlingen krijgen extra instructie en begeleiding. Voor de goede leerlingen. is er extra verdiepingsstof. Wij willen met ons rekenonderwijs bereiken dat de leerlingen.:
Nederlandse taal/lezen Doelstelling: het onderwijs in Nederlandse taal is erop gericht, dat de leerlingen:
In groep 1/2 worden vooral projecten ingezet en gebruik gemaakt van diverse bronnenboeken. (zie:”ontwikkelingsgericht werken in groep 1/2) In groep 3 wordt Veilig Leren Lezen gebruikt. In groep 4 t/m 8 gebruiken we de taalmethode Taal Actief. Voor begrijpend lezen wordt de methode Goed Gelezen ingezet. Voor extra leesbegeleiding maken we gebruik van het computerprogramma Flits. Ook kan de methode Speciale leesbegeleiding van Luc Koning worden ingezet. Spelling Spelling in groep 4 t/m 8 wordt aangeboden volgens de methode Taal Actief. De spellingles krijgt vorm d.m.v. het groepsplan. Zo garanderen we onderwijs op maat; didactisch sterke en zelfstandige leerlingen krijgen verdieping, de didactisch zwakke leerlingen krijgen extra instructie en begeleiding. Engelse taal Methode die wordt gehanteerd in gr. 7 en 8: Hello World 3.2.2. De wereldoriënterende vakken In groep 1 en 2 wordt hoofdzakelijk thematisch gewerkt. Dat staat uitgebreid beschreven in het docu-ment “Ontwikkelingsgericht werken in groep 1/2” Daarin is opgenomen een model voor het speel-werkuur en staan de vijf kernactiviteiten van basisontwikkeling aangegeven. Uitgangspunt daarbij is de eigen belevingswereld, de ervaring en de waarnemingen die bij voorkeur niet uitsluitend kijken betekenen maar ook voelen, ruiken, bewegen. De leerlingen leren stap voor stap de wereld om zich heen kennen en kunnen relaties leggen met ruimte en tijd, met menselijk gedrag, met de natuur en het natuurkundig gebeuren, en met de kijk van het kind op zichzelf, bij het leren zien van oorzaak en gevolg en bij het veroveren van taal als communicatiemiddel. Aardrijkskunde In gr. 5 t/m 8 wordt gewerkt met de methode:”Een wereld van verschil”. Voor topografie wordt gebruik gemaakt van het computerprogramma “Toporama”. Bij het vak aardrijkskunde leren kinderen vanuit een bijzonder perspectief naar de wereld kijken. Ze krijgen hierdoor oog voor de inrichting van de ruimte, de verschillen en de samenhang. Om de verschijnselen in de wereld te leren beoordelen, moeten we beseffen dat niet alle mensen onder dezelfde omstandigheden leven. Daarom hebben wij een keuze gemaakt voor de aardrijkskundemethode “Een wereld van verschil”: er wordt steeds een vergelijking gemaakt tussen “hier” en andere plekken op aarde. Om een betrouwbaar beeld van de wereld te verkrijgen, worden diverse aspecten van het dagelijks leven in verschillende landen aan de hand van concrete voorbeelden besproken. Er is aandacht voor overeenkomsten en verschillen tussen Nederland en andere landen. Verder is het Nederland van nu een multiculturele samenleving geworden, waarbij de inwoners zowel uiterlijk als cultureel heel verschillend kunnen zijn. Dit feit loopt als een rode draad door de hele methode. Vanuit het verkennen van hun eigen omgeving maken de kinderen in de midden- en bovenbouw kennis met andere regio’s en hun bewoners op aarde. Inzicht in natuurlijke, economische, politieke en culturele aspecten en de relaties daartussen is nodig om verschijnselen/gebeurtenissen in de regio’s te leren beoordelen. De leerstof wordt verdeeld in thema’s die gekenmerkt worden door een vergelijkbare problematiek. In elk leerjaar komen steeds dezelfde thema’s terug. In elk van die thema’s staat de mens in relatie tot zijn omgeving centraal. “Een wereld van verschil” bevat ook een duidelijke leerlijn kaartlezen. Het gaat hierbij om kaarten die in het dagelijks leven een rol kunnen spelen: van plattegronden tot geografische- en themakaarten. Topografie heeft als doelstelling een mentaal kaartbeeld te ontwikkelen, zodat de topografische kennis ook functioneert zonder dat er een kaart aanwezig is in situaties waarbij over plaatsen en gebieden gesproken wordt (tv-programma’s, films, krantenartikelen, enz.). Topografisch kennis moet functioneel zijn om deel uit te gaan maken van het langetermijngeheugen. Het sluit aan bij de inhoud van de lessen en is gekoppeld aan realistische contexten. Voor nadere omschrijving van specifieke doelen: zie handleiding van de methode. Geschiedenis/geestelijk stromingen We gebruiken de methode: “Bij de tijd” (nieuwe versie) in groep 5 t/m 8 De tijd waarin we nu leven is onlosmakelijk verbonden met de tijd daaraan voorafgaand (onze geschiedenis) en is bepalend voor de tijd die nog gaat komen (de toekomst). Het vak geschiedenis biedt een verdieping waarbij de kinderen kunnen leren verschijnselen en gebeurtenissen niet alleen te bekijken vanuit het perspectief van het heden, maar ook vanuit hun ontwikkeling in de tijd. Dat vergroot het begrip van zaken en leert ons samenhangen zien. Hoewel iedere situatie uniek is, geeft een historisch gezichtspunt toch een waardevolle aanvulling op de analyse van problemen en daarbij leert de geschiedenis ons vaak vooral hoe het niet moet. Wie oog heeft voor de manier waarop het verleden bij alle denkbare kwesties doorwerkt in het heden, en dit aspect mee laat wegen in zijn oordelen, geeft blijk van historisch besef. “BIJ DE TIJD” is vooral gericht op de ontwikkeling van dit historisch besef. Voor nadere omschrijving van specifieke doelen: zie de handleiding van de methode. Natuuronderwijs en gezond gedrag Doelstelling: het natuuronderwijs is erop gericht, dat de leerlingen:
In groep 3 t/m 8 gebruiken we hiervoor de methode Natuurlijk!. Deze methode gaat uit van een thematische aanpak. Natuurlijk! kent verschillende centrale thema’s. Deze thema’s komen ieder leerjaar terug. In elk leerjaar wordt dieper ingegaan op de verschillende thema’s. De thema’s die aangegeven worden zijn de volgende:
De leerlingen zien de wereld om hen heen als een geheel. De thematische aanpak van de methode Natuurlijk! sluit hier goed op aan. De directe schoolomgeving wordt zoveel mogelijk als bron gebruikt voor het natuuronderwijs (weide/bos). 3.2.3 Bevordering van sociale redzaamheid waaronder gedrag in het verkeer Methode: “Wijzer door het verkeer”. Doelstelling: het onderwijs in sociale redzaamheid, waaronder gedrag in het verkeer, is erop gericht, dat de leerlingen kennis, inzicht en vaardigheden verwerven als consument en als deelnemer aan het verkeer In alle groepen wordt er speciaal aandacht besteed voor de verkeershouding. In groep 7 doen de kinderen verkeersexamen. Er is ook aandacht voor praktisch oefenen. Catechese Voor catechese gebruiken we in alle groepen de methode “Trefwoord”. Deze methode sluit vaak aan bij onze opvattingen over identiteit. Zie daarvoor: Identiteit: 9 levensbeschouwelijke vragen en 10 indicatoren:
Kinderen leren zo ook de belangrijkste verhalen uit de Bijbel kennen. Per schooljaar worden er twee projecten “Trefwoord” met de kinderen doorgewerkt. In groep 4 wordt ook gewerkt aan de voorbereiding op de Eerste H. Communie en de voorbereiding op het Vormsel vindt bijna in zijn geheel in groep 8 plaats. Burgerschapsvorming In het kader van burgerschapsvorming wordt een aantal activiteiten ontplooid:
3.2.4 De muzisch-expressieve vakken Muziek Voor muziek maken we gebruik van de methode: “Muziek moet je doen.” De groepen 4 en 5 krijgen les van een vakleerkracht muziek (Pulz). Bewegingsonderwijs We hanteren de methoden: Basislessen in beweging, deel 1 en 2. Daarnaast gebruiken we in groep 1/2 de kalender van “Bewegen in de klas”. Tekenen en handvaardigheid Tekenen en handvaardigheid sluiten in de kleutergroepen vooral aan bij het ervarings/ontwikkelings-gericht werken. We nemen in schoolverband deel aan kunstbasis, waarbij op projectmatige basis steeds een muzisch-expressieve richting veel nadruk krijgt b.v. dans, poëzie, film enz. Het vak Beeldende Vorming (handvaardigheid en tekenen) in de groepen 3 t/m 8 wordt gegeven door een vakleerkracht. Er wordt op onze school niet gewerkt volgens één vaste methode. Een jaarthema als kapstok voor alle lessen vormt het uitgangspunt. Wel wordt, afhankelijk van het lopende thema, gebruik gemaakt van enkele methoden als bronnenboek, evenals kunstboeken, internetsites, geschiedenisboeken, informatieve boeken, en dergelijke. Er is gekozen voor een cyclus van 6 jaarthema’s, te weten “Beestenbende”, “De Wereldreis”, “Sprookjes en Griezelen”, ”Uit de Kunst”, “De Tijdmachine” en “Stad en land”, zodat het voor de kinderen steeds interessant en verrassend blijft. Hiervoor is bewust gekozen om de kans op beleving en betrokkenheid te vergroten. Mochten sommige kinderen zelf een idee aandragen dat binnen het thema uitvoerbaar is, dan wordt dit in onderling overleg ingepast. We streven naar een zo divers mogelijk aanbod van materialen, technieken en vormelementen en vooral minder voor de hand liggende combinaties daarvan. Het doel hiervan is dat de kinderen uit de bovenbouw voor bepaalde beeldende probleemstellingen zelf creatieve oplossingen gaan zoeken. Waar of wanneer dat mogelijk is wordt “kunst kijken”, kunstbeschouwing of een kunstenaar uitnodigen op school ingepast, evenals een museumbezoek of excursie. Aan het einde van ieder schooljaar wordt een tentoonstelling ingericht van het werk van alle kinderen, om uiting te geven aan de waarde van, en de waardering voor hun creatieve inspanningen. 3.2.5 De vak/vormingsgebieden en de computer Voor alle groepen is goede software aanwezig voor computerondersteunend onderwijs. Daarnaast wordt er in de groepen 3 t/m 8 gewerkt met methodegebonden software ( rekenen, spelling en verkeer). Er wordt in de groepen 3 t/m 8 lesgegeven m.b.v. digitale schoolborden. 3.2.6 Levensbeschouwelijke vorming Onze school is een school op rooms-katholieke grondslag. Wij proberen dit eigentijds in te vullen. Centraal staan waarden en normen. Het leren je te verplaatsen in de anderen en het leren nadenken over goed en kwaad zijn daarbij van groot belang. Wat betreft de christelijke opvoeding hebben het gezin, de school en de kerk elk hun eigen verantwoordelijkheden, die niet losstaan van elkaar. Zo worden bijvoorbeeld (een deel van) voorbereidingen voor de communie en het vormsel op school uitgevoerd. 3.2.7 Sociaal-emotionele vorming
Het gezin is het belangrijkst bij de ontwikkeling van waarden en normen. De school heeft wel een aanvullende en eigen bijdrage te leveren. Kinderen worden op hun eigen niveau op hun persoonlijke- en groepsverantwoordelijkheid gewezen en leren daarnaar te handelen. Ook het ontwikkelen van zelfvertrouwen en zelfrespect vinden we belangrijk en daarnaast moeten we ons steeds realiseren, dat we zoveel mogelijk mogen genieten van het leven, ook op school. Een van de uitgangspunten van onze school is dat kinderen met plezier naar school gaan. We streven ernaar dat de kinderen een gezellige sfeer proeven, dat er veiligheid en geborgenheid is, maar ook respect naar toe. Ze moeten ook leren zelf verantwoordelijkheid te dragen en te leren omgaan met hun eigen mogelijkheden en beperkingen. Als het nodig is kunnen leerlingen speciale sociale vaardigheidstraining krijgen. In enkele groepen is dit zelfs opgenomen in het rooster. We hebben met de kinderen regels over gedrag op de speelplaats en binnen de school opgesteld. Daarbij staan veiligheid en sociale ontwikkeling voorop. Bij pestgedrag wordt door leerkrachten volgens een stappenplan gehandeld. Er is daarbij aandacht voor zowel degene die gepest wordt, als voor de pester en de” meelopers”. Buiten de schooltijden is de multifunctionele ruimte te gebruiken door de andere kernpartners. 3.3 De zorg voor de leerlingen 3.3.1 De interne zorg Ons uitgangpunt is dat we alle kinderen, binnen onze mogelijkheden, zoveel mogelijk de zorg willen bieden die nodig is om een optimale ontwikkeling door te maken. De onderwijsbehoeften (zowel pedagogisch als didactisch) zijn hierbij de richtinggevers. Om tot een goede afstemming te komen is het belangrijk dat kinderen goed in beeld gebracht en gevolgd worden. We maken hiervoor gebruik van: · Methodetoetsen · ZIEN (sociaal-emotionele ontwikkeling.) · Niet-methodetoetsen (Cito LOVS) · Observaties en gesprekken · Dagelijks werk van de kinderen. · Cito entreetoets (groep 7) · Cito eindtoets (groep 8) Voor de toetsen van het Cito LOVS maken we gebruik van een toetskalender. De resultaten van de leerlingen worden twee keer per jaar besproken tijdens de groepsbesprekingen. Er vindt zowel evaluatie plaats op groepsniveau als op individueel niveau. Daarnaast vindt twee keer per jaar evaluatie op schoolniveau plaats. De resultaten worden dan in het team besproken. Hiervoor maken we gebruik van trendanalyses en dwarsdoorsnedes. Om zo goed mogelijk af te kunnen stemmen en rekening te houden met verschillen in ontwikkeling, werken we met groepsplannen. In 2010 is een begin gemaakt met de invoering van de 1-zorgroute. Dit traject zal de komende jaren verder geïmplementeerd worden. Als kinderen niet het gangbare programma kunnen volgen of stagneren in hun ontwikkeling (d- en e-leerlingen), vindt verdere analyse door de leerkracht plaats. Vervolgens plant de leerkracht interventies binnen het groepsplan. Als dit niet het gewenste effect heeft, wordt in een leerlingenbespreking overleg gevoerd met de intern begeleider over te nemen vervolgstappen. Er kan bijvoorbeeld gekozen worden voor een eigen leerlijn of voor een individueel handelingsplan. Voor kinderen die méér aankunnen dan wat op groepsniveau wordt aangeboden, gaat de leerkracht op zoek naar uitdagende opdrachten die aansluiten bij hun niveau. 3.3.2 Passend Onderwijs We vinden dat elk kind op onze school een kans moet krijgen. Toch kunnen er kinderen zijn met specifieke problemen. Die kinderen vragen onze extra zorg. Die extra zorg noemen we “zorgbreedte”. We willen de kinderen zoveel mogelijk binnen onze school in de eigen groep opvangen en trachten te helpen. Onze Intern Begeleider zal steeds samen met de groepsleerkracht nagaan in welke mate er hulp geboden kan worden. Ook kinderen met “special needs” zijn in principe bij ons welkom. Graag willen we ons onderwijs zó proberen aan te passen dat ook deze leerlingen leervorderingen kunnen maken. Als na een intensieve begeleiding bepaalde kinderen niet voldoende resultaten behalen kan er hulp worden ingeroepen van extern deskundigen (bijv. de Schoolbegeleidingsdienst Giralis in Eersel). Pas wanneer ook hier geen baat wordt gevonden gaan we denken aan een Speciale school voor Basisonderwijs. Dat kan uiteraard ook het geval zijn als, ondanks alle extra zorg en aandacht, een kind zich niet meer prettig voelt bij ons op school. Passend Onderwijs willen we graag samen met onze kernpartners realiseren. Een goede informatieoverdracht en een goede communicatie met de kernpartners zijn daarom voor ons van wezenlijk belang. Door elkaar tijdig te informeren proberen we leer- en/of gedragsproblemen te voorkomen of aan te pakken. Elke kernpartner heeft zijn specialiteit als het gaat om zorgleerlingen. Door gebruik te maken van elkaars kwaliteiten denken we meer voor de zorgleerlingen te kunnen betekenen. 3.3.3 De veranderende rol van de IB-er Door de komst van Passend Onderwijs verzwaren de problemen rond zorg. Dat vraagt om een goede aanpak van zorg en begeleiding. Doel is een zorgstructuur waarbij elke leerling die zorg krijgt die hij of zij nodig heeft om zo thuisnabij mogelijk een ononderbroken ontwikkelingsproces te kunnen doorlopen. De komende jaren zal de 1-zorgroute op de Lambertusschool verder worden geïmplementeerd. Dat betekent dat de IB-er de komende jaren een andere rol zal gaan krijgen. Leerkrachten zullen steeds beter in staat zijn om (samen met de IB-er) leerlingengegevens te analyseren en vervolgens verbeteracties op te zetten. Acties die ook steeds meer gericht zullen zijn op verbetering van het leerkrachtgedrag en verbetering van het onderwijs aan risicoleerlingen. Steeds vaker zullen leerkrachten zonder aanvullende ondersteuning adequate zorg aan deze leerlingen kunnen bieden. Dat betekent dat de toegevoegde waarde van de IB-er de komende jaren vooral gezocht moet worden in rol van coach en kenniscoördinator, en veel minder in de operationele zorgtaken , zoals bhet (adviseren van leerkrachten bij het) opstellen en uitvoeren van handelingsplannen). De IB-er op de Lambertusschool zal zich (voortdurend) verder dienen te professionaliseren. Aan de ene kant zal zij zelforganiserend en zelfsturend moeten zijn, terwijl ze aan de andere kant samen met de directie het zorgbeleid gestalte moeten kunnen geven. Dat IB-er op inspirerende wijze veranderingsprocessen door moeten kunnen voeren spreekt voor zich. Het zal de komende jaren belangrijk zijn dat de IB-ers van de Lambertusschool en de St.- 3.4 De begeleiding van de overgang van de kinderen naar het voortgezet onderwijs. Tijdens de informatie-avond voor groep 8 vertelt de leerkracht welke lesstof en andere activiteiten de leerlingen dat schooljaar mogen verwachten als voorbereiding op het voortgezet onderwijs. Het is belangrijk om de motivatie en leertaakgerichtheid van de leerlingen goed in beeld te krijgen. In november volgt een ouderavond, waarbij een voorlopig advies voortgezet onderwijs wordt gegeven. De leerkracht volgt nauwlettend de verrichtingen van de leerlingen en heeft in februari/maart met ouders en kind een afrondend gesprek, Dit advies gaat vergezeld van de uitslag van de CITO-eindtoets. Wanneer een leerling eenmaal het voortgezet onderwijs bezoekt, zijn er regelmatig contacten tussen de leerkracht en de mentor van de “ex-leerling”. De leerlingen worden ook uitgenodigd regelmatig verslag te komen doen van hun bevindingen in het voortgezet onderwijs. Door de informatie van onze “oud-leerlingen” kunnen wij onze leerlingen nog beter voorbereiden op het vervolgonderwijs. Wij streven ernaar dat het uiteindelijke examenresultaat overeenkomt met het gegeven advies.
|